Warthog/Knobbelzwijn


< back

Het knobbelzwijn (Phacochoerus africanus) is een zwijn uit de familie der varkens (Suidae). Hij wordt soms ook wrattenzwijn genoemd, maar deze naam wordt ook gebruikt voor een groep Aziatische zwijnen van het geslacht Sus. Tegenwoordig worden er meestal twee soorten knobbelzwijnen onderscheiden, Phacochoerus africanus, het gewone knobbelzwijn, en Phacochoerus aethiopicus, het woestijnknobbelzwijn uit Ethiopië en Somalië, en vroeger ook op de Kaap. Het knobbelzwijn is te herkennen aan de slagtanden die aan de zijkanten van de bek uitsteken. De vorm van de slagtanden verschillen per dier. Zijn naam dankt hij aan de knobbels onder zijn ogen en op zijn snuit, die bestaan uit verdikte huid. Hij staat hoog op de poten. De huid is nagenoeg kaal en grijs. Over de rug lopen donkere manen, die het langst zijn op de nek en schouders, en op de onderkaak lopen vaal witte borstelharen. Hij heeft een dun staartje met een kwastje aan de staartpunt. Het knobbelzwijn heeft een korte hals. Ze worden 90 tot 152 centimeter lang en 45 tot 150 kilogram zwaar. De schouderhoogte is 55 tot 85 centimeter, en de staart is 35 tot 50 centimeter lang. Vrouwtjes zijn lichter dan mannetjes, ongeveer 45 tot 75 kilogram, terwijl het mannetje ongeveer 60 tot 150 kilogram weegt.

 

Het knobbelzwijn is een dagdier. Hij leeft op de savannen van Afrika ten zuiden van de Sahara. Ze hebben een voorkeur voor uiterwaarden en licht bebost landschap. Om aan de hitte, droogte en roofdieren te ontsnappen, schuilt het knobbelzwijn in holen, voornamelijk verlaten aardvarkenholen, maar ook zelfgegraven en natuurlijke holen worden gebruikt, evenals holen van stekelvarkens en verlaten termietenheuvels. Het zwijn eet vooral gras, maar ook bast en wortelen, vruchten, aas, insecten en larven, en zelfs uitwerpselen. Ook eet hij aarde, voor de mineralen. In het droge seizoen eet hij vooral knollen en wortelstokken, in het regenseizoen vooral kort gras. Ze blijven meestal nabij water, maar kunnen voor langere tijd zonder water, aangezien hun voedsel rijk aan vocht is. Om te eten laten ze zich zakken door hun voorpoten. Als het knobbelzwijn rent, houdt hij de staart recht omhoog. Zijn belangrijkste vijand van de knobbelzwijn is de leeuw.

 

Het knobbelzwijn is een sociale soort. Meestal bestaat een groep uit een vrouwtje en haar vrouwelijke jongen. Als groepen zich samenvoegen, zijn dat meestal ook nauwe verwanten, als zussen of moeders en dochters. Meestal leven verwante familiegroepjes dicht bij elkaar in een gebied van 4 km². Holen binnen dit gebied worden gedeeld door de groepen, maar er wordt nooit meer dan één groep per hol aangetroffen. Mannetjes blijven net zo lang bij de moeder totdat deze ze wegjaagt. Tot hun vierde jaar, wanneer de mannetjes volwassen worden, leven ze vaak met andere mannetjes in losse groepjes. Volwassen mannetjes leven solitair. Als een mannetje een vrouwtje in oestrus ontdekt, achtervolgt hij haar, waarbij hij speeksel afscheidt en knorrende geluiden maakt. Als het vrouwtje wilt paren, gaat ze steeds langzamer rennen, totdat ze stilstaat. Meestal krijgt een knobbelzwijn twee tot drie jongen per worp, maar dit getal kan tot acht per worp oplopen. Na een draagtijd van 160 tot 170 dagen worden de jongen in een hol geboren. Na drie weken eten de jongen voor het eerst gras en na twee tot zes maanden worden ze gespeend. Ze kunnen achttien jaar oud worden.

Kaart Afrika Klik op de foto om uit de lijst een ander deel van het reisverslag over het Kruger Park 2002 te selecteren.

Kaart Afrika Klik op de foto om via de kaart van Afrika een ander land te kunnen selecten.

Wereldkaart Klik op de foto om via de wereldkaart een ander land te kunnen selecten.

Ga naar beginpagina homepage Geja en Michael Klik op de foto om naar de beginpagina van de homepage van Geja en Michael te gaan